instagram

Kunst in de 21ste eeuw: Red de wereld, begin bij jezelf

(geschreven voor De Nieuwe Liefde, september 2013)

Ooit, inmiddels meer dan honderdzeventig jaar geleden, zorgde een operavoorstelling voor de afscheiding van België. Strawinsky’s Sacre du Printemps leverde bij de première in 1913 rellen op waarbij gewonden vielen. Toen Thomas Bernhard in 1989 met het stuk Heldenplatz het enthousiasme kritiseerde waarmee de Oostenrijkse bevolking in 1938 Hitler verwelkomde, kieperde de boze Weense bevolking mestkarren voor de deur van het Burgtheater. In Nederland was er begin jaren tachtig flinke ophef over een poging van de beginnende regisseur Johan Doesburg om Fassbinders ‘Het Vuil de Stad en de Dood‘ op te voeren.

Kunst ging vroeger ergens over. Of liever: kunst speelde een rol in het maatschappelijke debat. Bij netelige kwesties was de visie van kunstenaars ook belangrijk. Dat is nu al een paar jaar niet meer aan de hand. Kunst lijkt er niet meer toe te doen. Het meest geldt dit voor het theater. Ellen Walraven, sinds 1 juni van dit jaar directeur van de Rotterdamse Schouwburg, meldde in een zeldzaam interview aan het vakblad TheaterMaker: “Belangrijke essayisten of decision makers refereren wel aan literatuur of films of belangrijke tentoonstellingen, maar zelden aan theater.”

Podium

Componist Merlijn Twaalfhoven deed aan het begin van de zomer een oproep aan politici, ondernemers en kunstenaars om het belang van kunst voor hun leven en werk te onderstrepen. Bij het eeuwfeest van Stravinski’s Sacre du Printemps, waarvan de wereldpremière in 1913 naar verluid tot gewonden in en rond het theater leidde, gevolgd door verhitte debatten in vele politieke fora, verzucht hij: “Nu doet iedereen er toe. Elk van de miljoenen meningen krijgt een fijn, afgebakend plekje voor opwinding in een eigen stroom tweets, comments of posts. We komen elkaar niet meer tegen op één plek waar de slimste, scherpste denkers en sprekers de boventoon voeren. De stand van het land wordt niet meer bepaald op een specifiek podium, figuurlijk maar ook heel letterlijk. We hoeven niet meer naar het theater omdat het hoort of omdat anderen ons daar verwachten. We kiezen uit ontelbaar veel opties om onze avond te besteden. Mocht je in een theater of concertzaal komen waar iets vreselijks gebeurt, dan is het dus ook je eigen schuld. Niet de kunst is fout, maar je keuze. Voor je mening geldt hetzelfde. Als je mensen spreekt met een totaal ander denkbeeld dan jezelf, dan is er niet iets mis met hun gedachtegang, maar zit je blijkbaar in het verkeerde café of online forum.”

NRC Handelsblad presenteerde kort na dit artikel een groot en bitter artikel van de hand van Mario Vargas Llosa, die ook al verdrietig constateerde dat het feitelijk afgelopen was met de hogere cultuur, omdat inmiddels iedereen overal aan kunst deed. De Cultuur was niet langer het exclusieve domein van denkers en kunstenaars, en daardoor feitelijk onherkenbaar en dus waardeloos geworden.

En ja, in mijn tijd als theaterrecensent heb ik alleen in de tijden van Paars nog ministers en staatssecretarissen bij premières en expositie-openingen kunnen bewonderen. Balkenende kwam nooit, en sindsdien zijn bezoeken van politici aan kunst een zeldzaamheid geworden. Openlijke belangstelling voor kunst trekt geen stemmen, en jaagt kiezers eerder weg, zo lijkt het.

Vorige eeuw

Hoe heeft het zo ver kunnen komen? Zijn de kunsten op hun retour, hebben ze ons niets meer te vertellen, of althans: doet kunst er nog toe? Aan het begin van een nieuw kunstseizoen een goede vraag om te stellen.

Joost Heijthuijsen, directeur van het op jonge, vernieuwende cultuur gerichte festival Incubate in Tilburg, vindt het vooral een generatieprobleem : “De avant-garde die wij kennen is een avant-garde van de vorige eeuw. Dat is een burgerlijke avant-garde die gericht was op het maken van onderscheid tussen wat kunst is en wat de normale wereld is. Die avant-garde vindt dat mensen moeten stijgen om tot het kunstwerk te komen. Maar de samenleving verandert. Je luistert niet meer, maar je gaat ergens mee in gesprek. De wereld heeft de logica gekregen van een computerspel waaraan je dingen toevoegt en waarin je dingen deelt via een sociaal netwerk. In de vorige tijd was de schapruimte beperkt en moest je scherpe keuzes maken in wat je liet zien en wat je maakte. De esthetica zei dat kunst universeel was en de kunstenaar een genie. Nu zie zie je dat dat maar een wereldbeeld was, van kunstenaars die in een andere wereld leefden.”

Dat de oude waarden hebben afgedaan, is dus duidelijk, volgens Heijthuijsen: “De film Romeo en Julia van Boz Luhrmann is in totaal door meer mensen bekeken dan er voor die tijd mensen naar alles van Shakespeare waren gaan kijken. De traditionele cultuur is niet meer voorbehouden aan de middenklasse, die de de cultuur inzet om zichzelf apart te zetten van de rest van de samenleving. Daar is gelukkig verandering in gekomen. Het aantal bezoekers aan dance parties is groter dan ooit. Het aantal bezoekers aan musea is groter dan ooit. De prijs die je voor topkunst betaalt is hoger dan ooit. Dus kunst leeft ontzettend. Het is alleen de traditionele avant-garde die de aansluiting bij die nieuwe breedtecultuur heeft gemist.”

Links heeft afgedaan

Geëngageerde kunst, en dan meestal van de linkse soort, heeft afgedaan. Dat beweert ook Willem Velthoven, oprichter en creatief brein van Mediamatic, een sterk op vernieuwing en concepten gericht kunsten laboratorium in Amsterdam. “Nu is er een steeds grotere groep kunstenaars die op zoek is naar iets anders dan de kunstinterne discussie, die natuurlijk eindeloos voort kan gaan, zolang die kunst maar zijn eigen economische bestaansrecht heeft. Het is kunst die gemaakt wordt om de vraag te beantwoorden waarom er kunst gemaakt wordt. Dat gaat nu al een jaartje of honderd zo, sinds mensen als Duchamp (die van het liggende urinoir) die vraag voor het eerst stelden. In diezelfde periode werd er natuurlijk ook een antwoord op geformuleerd door de Russische Constructivisten, die zeiden: we gaan agit-prop maken. We stellen ons ten dienste van de revolutie. Maar die hele grote hedendaagse kunststroming die maar doorgaat met verbijsterd naar de eigen navel staren en zich de hele dag zit af te vragen wat die nu eigenlijk moet, die ook gewoon lekker nog steeds de hoofdthema’s bepaalt op de biennales? Het wordt een beetje oudbakken. Nieuwe thema’s zoals wij die onderzoeken, zijn dus wel welkom. En dus gaat het over een algemene zingevingsdiscussie waar onze hele maatschappij mee worstelt.”

Concreet betekent dat, dat er op de stoep van Mediamatic nu een Tostifabriek staat, die in de maand september zijn eerste en enige tosti’s zal verkopen.

Kunst? Zeker, aldus Velthoven: “Twee koeien met een kalf, twee varkens en een graanveld. Een kaasmakerij. Het ruikt er naar poep en de buren zijn boos vanwege het geloei. En eind september worden de tosti’s geleverd. Dan is alles af, dan is het graan gedorst en gemalen, dan is de kaas gegist en worden de broden gebakken. Max en Wim, de varkens, zijn geslacht, gepekeld en ham geworden. Van de melk van Tineke en Els is in de kaasmakerij jong belegen kaas gemaakt. Het is een beeldend kunstenaar die dat doet. Die heeft een heel team van vrijwilligers om zich heen verzameld die allemaal uit hele andere takken van sport komen: er zit een jurist bij en allerlei mensen die zich engageren voor voedselissues. Dus hun gesprekken gaan heel vaak over bewustwording en alternatieven voor de huidige voedselindustrie. Daardoor vergeet hij soms uit te leggen dat hij een kunstenaar is en dat hij een beeld maakt. Wat daar staat is immers een levende sculptuur. Die vrijwilligers die hem helpen zijn eigenlijk performers, maar dat weten ze zelf niet meer.”

 Populisme

Festival Incubate heeft ook een traditie om kunst buiten de gebaande definities te plaatsen. Vorig jaar stonden er een kleine honderd piano’s verspreid door de straten en pleinen van Tilburg. Ze waren de kern van het kunstproject ‘Play me, I’m yours’ van de Britse kunstenaar Luke Jerram. Hij heeft dit werk sinds 2008 al in tientallen steden neergezet, en steeds met hetzelfde idee: de piano’s kunnen door iedereen bespeeld worden, versierd, beplakt, of als podium gebruikt. Met deze ingreep in de publieke ruimte raakten ook de ‘gewone’ burgers van Tilburg betrokken bij het festival.

Heijthuijzen zoekt voor elke festivaleditie naar zulke vormen van gemeenschapskunst en mogelijkheden om met de stad en zijn bewoners in gesprek te gaan. Hij wordt daar ook toe gedwongen omdat Tilburg nog steeds geldt als een bolwerk van het populisme: “Daarom was het voor ons de uitdaging om hier een festival van de 21ste eeuw te beginnen. Dat moest zich niet afspelen in afgesloten ruimtes, maar moest open zijn en aantrekkelijk. Anders krijg je immers ook gelijk de reflex van de lokale bevolking van ‘o, dit is eng’. Maar omdat we al meteen samenwerkten met metalcafé’s en musea, poppodia en theaters, en alles wat daar tussenin zit, leerden we meteen al om verschillende talen te spreken. Het gaat ook niet over populisme maar over de functie die je als cultureel organisator hebt. Je moet aan iedereen uit kunnen leggen wat je doet, links of rechts, oud of jong. Dus toen de oud-chauffeur van Fortuyn hier de politiek in kwam met een populistische agenda, ben ik meteen met hem in gesprek gegaan. De traditionele avant-gardistische kunstcommune vond dat niet goed. Die vond dat we een cordon sanitaire moesten instellen. Ik wilde hem juist de vragen stellen. Dat is geen knieval naar het populisme.”

Arbeiders

Met het oude engagement in de kunsten heeft Heijthuijsen weinig op: “Dat is de vorm van engagement die hoort bij de jaren zestig. De Bob Dylan-taal en de Armando-taal. Dat zijn woorden-dingen. Ze hebben niet tot de verandering geleid die ze dachten te veroorzaken. Je ziet nu een veel praktischer engagement. Het gaat over netwerken, over informalisering van de samenleving. Kunstenaars spelen een andere rol, die bepalen meer zelf wat ze doen en hoe ze het doen. Dat is een groot engagement. Je ziet nu meer dat de praktijk van de kunstenaar onderdeel uitmaakt van een eigen ecosysteem. Als jij duurzaam wilt eten, dan doe je dat. Daarmee ben je een voorbeeld, en dat is veel sterker dan wanneer je iedereen gaat aanvallen om duurzaam te gaan eten. Het engagement wordt vaak nog verkeerd gezien, omdat daar nog die oude babyboomer-reflex van de aanval wordt gekozen. Dat zijn mythes waarin mensen ook nog claimden dat ze namens de arbeiders spraken. Dat ze een boodschap hadden voor de bevolking. Moderner engagement maakt dat soort grote assumpties niet meer. Er zijn ook geen arbeiders meer.”

Dat kan Willem Velthoven (55) beamen. Hij was als jongere zelf nog een blauwe maandag lid van de Communistische Partij Nederland: “Het ouderwetse linkse engagement heeft niet zoveel meer te betekenen. We hebben heel erg veel vrijheid, we hebben heel erg veel geld, we hebben heel erg veel auto’s. We hebben alles heel erg veel, dus er valt niets meer te strijden. In dat halve jaar dat ik lid was van de AJV, de jongerenafdeling van de CPN, verbaasde ik mij al heel erg over dat streven van de CPN om iedere arbeider in een auto te krijgen. Dat was toen volgens mij al een heel erg stom idee. Het zou toch alleen maar meer gaan stinken? Ik dacht: Je kunt toch beter iedereen een fiets geven? Ik weet dus niet of dat duurzaamheidsideaal nu zo nieuw is. De Kleine Aarde is alweer dicht, er is een hele generatie van babyboomers die dat idee al heel lang voedt. De kunsten komen er alleen een beetje achteraan hobbelen.”

Begin 2013 trokken de toneelgroepen Dood Paard en De Warme Winkel de boekenkasten in de opgeheven bibliotheek van het Theater Instituut Nederland omver en bouwden ze om tot planten- en kweekbakken voor hun project ‘Paradijs’. Het was een combinatie van urban farming en filosofisch theater over precies de vragen waar we met zijn allen een beetje mee worstelen: moeten we meer zelfvoorzienend worden, of slaan we dan met zijn allen door, zoals de preppers in de VS dat doen, die zich voorbereiden op de anarchie na de apocalyps? Zijn we ons inderdaad aan het voorbereiden op een eindtijd waarin het ieder voor zich is, en het dus best handig is als je je eigen groenten kunt verbouwen?

Moestuin

Het past in een trend. De moestuin, jarenlang het terrein van de oudere arbeiders, die er voor een klein bedrag hun traditionele groenten verbouwden, is een hebbeding geworden voor de jonge stadsbewoner. Ze experimenteren er met nieuwe of juist vergeten groenten, niet alleen omdat het hip is, maar ook omdat ze het supermarkteten beu zijn, en de macht van de multinationale voedselindustrie wantrouwen. De nationale regering zegt ze niet zoveel meer en globalisering is verdacht, dus waarom niet zoveel mogelijk voor jezelf zorgen?

In die ontwikkeling past ook het kunstproject dat dit jaar van start ging in Rotterdam. De dertigers en veertigers van Theatergroep Wunderbaum streken neer op de spoorbogen van het voormalige Hofpleinstation, om er een nieuwe staat te vestigen, inclusief eigen teelt en eigen staatsvorm. Het is een driejarige zoektocht naar een nieuwe staatsvorm die niet meer afhankelijk is van krachten van buiten.

Op het dak van grootwinkelcentrum Hoog Catharijne heeft een kunstenaar een serie dak-akkers aangelegd: onderdeel van het kunstproject Call of the Mall, dat nog tot eind van september loopt, maar ook een voorbeeld van de trend die op dit moment in de kunsten heerst. Die trend is niet heel nieuw, volgens Willem Velthoven: “Kunstenaars hebben altijd wel iets met autonomie. Duurzaamheid loopt daar heel erg parallel aan. Als je je off the grid gaat, heb je alleen nog te maken met jezelf, en ben je ook niet meer afhankelijk van allerlei twijfelachtige services. Dat komt goed uit en in die zin past het heel goed bij elkaar. Dat hebben kunstenaars ook altijd aan de orde gesteld: ik kan ook zonder jullie iets betekenisvols doen. Ik kan ook in het bos gaan zitten.”

Off the Grid

Het idee van ‘Off the Grid’ gaan, jezelf afsluiten van de bestaande systemen en netwerken, werkt Mediamatic op dit moment uit in een groot project rond het fenomeen ‘Aquaponics’. Dat is, kort gezegd, een methode om via een gesloten systeem van afval- en uitwerpselenrecycling groenten te verbouwen en vis te kweken waarmee je jezelf in leven kunt houden zonder hulp van buiten. Inmiddels zwemmen er zevenhonderd meervallen in de bassins, en hebben ze, met medeweten van de belastingdienst, een eigen distilleerderij opgezet:The White Trash Liquor Factory: “We stoken in een oude Daalderop boiler die we hier op het eiland gevonden hebben. We gebruiken hyperlokaal afval van de kantine van stadsreiniging en de krantenredacties van De Persgroep. De warmte voor de vergisting komt uit een composthoop. In oktober gaan we onze wodka en jenever door onze burgemeester aan Poetin laten aanbieden, wanneer 200 jaar culturele vriendschap tussen Nederland en Rusland wordt gevierd. We dachten: zou het niet mooi zijn om Poetin honderd procent geconcentreerd afval te kunnen aanbieden? Hier gaat het dus om het concept. Ik heb een paar kunstenaars gevraagd om de fabriek te gaan bouwen, om duidelijk voor ogen te houden dat het niet om een economische handeling, maar om kunst gaat.

Dat dit zelfvoorzienend handelen kunst is, geldt ook voor de Tostifabriek, benadrukt Velthoven: “Het is de meest stupide, omslachtige en verkwistende manier voor het maken van tosti’s die je je maar kunt voorstellen. Met een enorme groep vrijwilligers een ingewikkelde faciliteit maken waarin de verschillende onderdelen niet goed op elkaar afgesteld zijn. Als je bijvoorbeeld gaat uitrekenen hoeveel brood dat graanveldje gaat opleveren, en kijkt hoeveel kaas die koeien kunnen leveren in de zelfde periode, dan zul je zien dat een kwart koe ook ruim voldoende was geweest. Maar er staan twee koeien en een kalf. Waarom? Koeien zijn sociale dieren, dus als je één koe neerzet, wordt die koe ongelukkig. Net als met de varkens. Een zo’n varken geeft ruim voldoende ham voor een veel groter graanveld, maar ook varkens zijn sociale dieren die je miet alleen laat. Dus er klopt helemaal niets van. Het is super onhandig. Het kost heel veel moeite en het worden hele dure tosti’s. Als je alleen al kijkt wat er aan euro’s bij gaat en daarnaast alle inspanningen van vrijwilligers en de sponsoring, dan is het een project van een ton. Ik heb niet precies uitgerekend, maar als je er drie broden mee kunt maken, dan ben je knap. Hoeveel sneetjes uit een brood? Als ze vijftig tosti’s kunnen maken, is dat 2000 euro per tosti. Dan kan het niet anders dan kunst zijn. Het is geen voedselproductie. Het is een misverstand. Dat gedoe met die stadslandbouw ook: iedereen denkt dat het over voedselproductie gaat, en daar gaat het wel over, maar het is kunst over voedselproductie. Het is helemaal geen zinnige productie. Per persoon heb je een halve hectare nodig om jezelf in leven te houden. Die is ook in kantoorgebouwen niet te vinden voor een hele stadsbevolking.”

Helpen

Dan heeft Joost Heijthuijsen een veel praktischer idee over nieuw engagement: “Dit jaar gaan zeshonderd studenten van de Fontys Hogeschool tijdens het festival de straat op met maar één opdracht: kijk rond, zie wat jou of anderen stoort, en maak het beter. Daar zit geen enkele artistieke vraag achter, maar je mobiliseert een grote groep die tijdens het festival iets goeds gaat doen voor de stad. Dan hoeven de mensen niet meteen geïnteresseerd te zijn in experimentele kunst, maar je biedt ze wel een heel makkelijk aanknopingspunt om via hele vriendelijke acties met die kunst in aanraking te komen.”

In dit licht gezien komen de bastions van de oude kunsten op een rare manier in beeld. Eerder dit jaar bracht het Utrechtse Gezelschap DUS een voorstelling uit waarbij voor de theoretische onderbouwing werd teruggevallen op het werk van Theodor Dalrymple. Diens denkbeelden over sociale ongelijkheid doen de wenkbrauwen van traditioneel links angehauchte mensen al fronsen, dus hoe schokkend is het dan niet dat Toneelgroep Amsterdam in 2014 als seizoensafsluiter komt met een toneelbewerking van Ayn Rands The Fountainhead? Dalrymple is aanhanger van de gedachte dat sociale ongelijkheid vooral een kwestie is van willen: wie onderaan de ladder staat heeft niet hard genoeg geklommen, Ayn Rand heeft bijna goddelijke status als ideoloog van het neoconservatisme en het hyperindividualisme van de Amerikaanse cultuur.

Goed beschouwd hebben deze repertoirekeuzes echter meer gemeen met de bewegingen in alternatieve circuit dan je zou denken: ze delen de zoektocht naar selfsupport en het wantrouwen jegens overheden en internationale organisaties. Wie nog dacht dat de kunsten in oude linkse hobbies waren blijven steken, kan komend seizoen dus het beste maar eens goed gaan rondkijken. Het gaat een hoop verrassingen opleveren.

Meer schrijfhulp?

Schrijf je in voor de nieuwsbrief.

Scroll Up