instagram

Jan Zoet: “Zorg dat je in verbinding blijft staan.”

Jan Zoet vertrekt als directeur van de Rotterdamse Schouwburg. Hij wordt directeur van de Amsterdamse Theaterschool en laat een gebouw achter dat sinds zijn komst aan identiteit gewonnen heeft. In het hart van de stad van harde werkers is de schouwburg een bron van creatieve en artistieke energie, die steeds beter bezocht wordt.

We spreken elkaar in maart 2013 in de ruime, in 2010 verbouwde hal van de in 1988 opgeleverde schouwburg. Thatercafé Floor en Schouwburgfoyer zijn samengesmolten tot een enorm ruimtelijke ontmoetings- en werkplek, die in principe zeven dagen per week is geopend. Aan de muur een twaalf meter lange videowall. De Rotterdamse Schouwburg is een gebouw dat ook overdag helemaal aansluit op de tijdgeest. Nu vertrekt Jan Zoet, de man die in 1999 directeur werd van dit gebouw, dat toen al een beetje elitair overkwam op de ‘gewone Rotterdammer’. De gewone Rotterdammer die twee jaar later zou zorgen voor de Fortuynrevolutie, waarvan de gevolgen nog steeds voelbaar zijn.

Hoe voelde Jan Zoet die tijdgeest aan, en wat had hij zich voorgenomen toen hij aan zijn nieuwe job begon? Veel ervaring als directeur en schouwburgman had hij niet, vertelt hij. Als programmeur van het legendarische Amsterdamse Mickerytheater wist hij alles van avantgarde en internationale vernieuwing, en als zakelijk leider en dramaturg bij Theatergroep Hollandia van Johan Simons en Paul Koek wist hij hoe je theater moest maken en verkopen. Maar hij wist ook, dat als hij dan de stap naar het directeurschap wilde maken, dit gebouw de enige plek was waar hij wilde werken.

Waarom?

‘Omdat, toen al, de Rotterdamse Schouwburg de enige schouwburg was die zich internationaal profileerde. Het was ook een schouwburg waarbij traditie en vernieuwing op een hele mooie manier samengingen. Verder was het elan hier goed. De functionaliteit van het gebouw sprak me aan, er was ook niets gezapigs aan de inhoud. Anne Teresa de Keersmaeker was hier als eerste te zien geweest, Jan Fabre hangt hier nog met zijn werk aan de muur.

‘Toen ik hier eenmaal kwam wilde ik in de eerste plaats overeind houden wat er al stond, maar ik wilde ook iets anders dan hoe het tot dan toe was: ik wilde de schouwburg verbinden met de grote stad Rotterdam. Het was tot dan toe namelijk ook een hele nette, hele sjieke schouwburg. Het was een moderne schouwburg, in plaats van een postmoderne schouwburg. Een van de eerste dingen die ik riep was dat ik de skaters op het plein graag de zaal in wilde hebben. En het liefst ook nog op het podium. Maar dat niet alleen: ik wilde ook verbinding maken met andere kunstvormen: beeldende kunst, dans, en literatuur en film.’

Is het gelukt?

‘Voor een deel. Er zijn genoeg punten die nog anders hadden gekund, maar ik vind dat het gelukt is. De schouwburg is opener, en staat echt in verbinding met de stad. De skaters zijn op zichzelf al een beetje uit de tijd, maar jonge generaties kunstenaars en ook gewoon publiek zijn hier kind aan huis. Met feesten, muziekoptredens, Art Rotterdam, mediakunstenaars op onze videomuur. En we hebben een eigen productiehuis opgezet en een interdisciplinair internationaal festival. We deden alles vanuit de vraag wat theater nog te betekenen heeft en waar het begint en waar het ophoudt. Is het een veilige, afgebakende kunstvorm, of is het een levend medium? Ik kies voor dat laatste, maar wil de traditie nadrukkelijk niet uitsluiten. Het moet heel erg gaan over de vraag hoe je nieuwe generaties toeschouwers kunt overtuigen dat het theater ook van en voor hun is. Ik sta heel erg aan de kant van het levende medium. Als je niet beweegt en onderzoekt behoudt je alleen nog een museale rol, en die is dodelijk.’

Leefbaar Rotterdam is dan niet bepaald iets waar je als schouwburg met zo’n taakopvatting op zit te wachten.

‘Dat klopt, maar tegelijkertijd is er nu meer draagvlak in de stad dan tien jaar geleden. In 2002 hadden we het eerste ‘Leefbaar’-college. We zijn toen heel nadrukkelijk op zoek gegaan naar contact met dat college, maar ook met het Rotterdamse publiek. Dat gaat steeds verder. In 2008 hebben we een beleidsplan geschreven met als titel A sense of belonging’. Daarmee willen we het draagvlak in Rotterdam voor de kunsten versterken. Dat gaat over drie dingen: kijk kritisch naar je programmering en zoek daarin naar meer draagvlak en meer publiek zonder concessies te doen aan je artistieke criteria. Dat heeft geleid tot een serie goeie popmuziek en onze bemoeienis met het nieuwe circus, maar we doen ook lunchvoorstellingen, we programmeren op op locaties in de stad en we hebben nieuwe formats waarmee we de context rondom programma’s verbeteren.

‘Het tweede is dat de marketing en communicatie is aangescherpt. We proberen nu veel meer vanuit de toeschouwer en de potentiële bezoeker te schrijven en contact te leggen, dan vanuit de dramaturg van de voorstelling. We zijn heel streng geweest om dat te veranderen. Schrijvers moeten kijken en lezen met de ogen van een bezoeker. Dat klinkt misschien vanzelfsprekend, maar dat was toen ik hier kwam allerminst het geval. Toen had je teksten als “De regisseur vertrekt vanuit zijn fascinatie voor Musil…”, terwijl de bezoeker daar al niet zoveel van snapt. Mensen kunnen nu ook zelf recensies op onze website zetten. Dat gaat echt goed.

‘Ten derde hebben we de schouwburg ook letterlijk meer toegankelijk gemaakt. De schouwburg is nu de hele dag open en biedt ruimte aan kleine voorstellingen, werk- en vergaderplekken. Voor de toekomst gaan we dat nog nadrukkelijker doen. We willen met de Erasmus Universiteit gaan nadenken over de invulling van het University College. Of kunstenaars daar een bijdrage aan kunnen leveren. We hebben dit jaar met alle theater- en kunstinstellingen van de stad de verkiezingsavond in het stadhuis vormgegeven, met lezingen en optredens. We hebben samen met winkeliers en buurtverenigingen en Concertgebouw De Doelen de handen ineen geslagen om het Schouwburgplein tot leven te brengen. Dat zijn stappen die het verschil maken met tien jaar geleden. Als je nu de waardering leest vanuit de politiek, is die groot. Het publiek is ook niet minder geworden. Sinds mijn komst hebben we nu bijna 40.000 bezoekers per jaar meer. Dus er zit echt een grote sprong in.’

En ondertussen is er een VVD-cultuurwethouder die zich ooit liet ontvallen dat kunstinstellingen door de weeks best dicht kunnen, omdat hardwerkende Nederlanders dan geen tijd hebben voor kunst. Opvallend genoeg is de schouwburg nu inderdaad ook twee dagen per week dicht vanaf volgende seizoen.

‘Zij maakte die opmerking bij het jaarlijkse Cultuurdebat in Paradiso in 2011. Ik was daar niet blij mee, want het getuigde niet van inzicht in hoe publiek zich gedraagt. Niet iedereen kan alleen in het weekend naar kunst kijken. Toch is er een flinke korting gekomen op ons budget. We konden niet anders dan zeggen: we gaan op maandag en dinsdag geen zaken meer programmeren waarop we toe moeten leggen. Het gebouw is wel open, en soms zijn er verhuringen, talkshows. Als er commerciële voorstellingen zijn die passen in ons profiel, doen we die ook. Maar in principe daalt het aantal voorstellingen dat we doen met 10%. Dat heeft ook consequenties gehad: we hebben mensen moeten ontslaan. We hebben in voorgaande jaren al een reeks efficiencymaatregelen genomen zonder voor het publiek merkbare gevolgen. De huidige korting van 9% konden we niet meer zonder gevolgen opvangen. Ik hoop dat het over een aantal jaren weer ten goede keert. Dat er in de toekomst niet noodgedwongen een programmering komt die alleen kiest wat bekend is van radio en televisie of gemakkelijke genres als musical en cabaret.’

Je gaat nu weg: is de schouwburg sterk genoeg om zonder jou te overleven?

‘Het is een heel gezond bedrijf, met een hele goede groep mensen aan het roer. Ik heb er alle vertrouwen in. Er dreigen wel weer nieuwe bezuinigingen, en dat is een risico, vooral ook omdat door de crisis mensen minder gauw een kaartje kopen. Ik heb er wel vertrouwen in dat de organisatie in staat is om bij te sturen. Deze schouwburg blijft staan. Er is al te veel bezuinigd in de dans- en theaterwereld van Rotterdam. Zowel podia als gezelschappen verdwijnen of worden geminimaliseerd. Het is ondenkbaar dat in de tweede stad van Nederland nog meer verdwijnt. We moeten juist weer gaan bouwen. Met ruimte voor nieuwe makers en nieuwe publieken.

Wat ga je de nieuwe toneelstudenten leren?

‘Dat je in verbinding moet zijn. Dat je het samen moet doen. Wat ik hier heb geleerd met al die samenwerkingsvormen die we hebben georganiseerd is: vanuit de wereld gezien is het kunstenveld een heel klein, kwetsbaar en bijzonder plekje. Als je er middenin zit dan is het de wereld, en wil je vooral hard vechten voor je eigen zaakje. Dat belemmert je enorm. Wanneer je beseft hoe klein het is, zul je vanzelf zien dat je wel noodzakelijk móet samenwerken om op te vallen in die snelle en veel te oppervlakkige buitenwereld. Je moet niet voor je eigen individu kiezen, maar met elkaar een verbinding tot stand brengen. Je komt terecht in een sector die het van elkaar moet hebben. Die zal er rekening mee moeten houden dat er minder of geen subsidie zal zijn, maar die moet ook zelfbewust genoeg zijn om van de maatschappij een investering te vragen in de meerwaarde die ze creëert. Ik werk in een schouwburg, en ik vraag geen subsidie. De schouwburg is neergezet door een stad die het belangrijk vindt dat de cultuur onder de bevolking leeft en dat er en plek is waar de immateriële waarden worden onderzocht en gekoesterd. Daar heeft deze stad geld voor over. Dat moet een nieuwe generatie makers ook beseffen. Dat ze niet als onderbetaalde zzp’ers hun ding hoeven te doen, maar dat er ook een samenleving is die belangrijk vindt wat ze doen.’

Er staat ook een generatie acteurs aan de poort die het misschien wel eens is met Geenstijl en Halbe Zijlstra. Die het gezeur zat is en gruwt van subsidie.

‘Je mag ook kritisch zijn ten aanzien van subsidie als vanzelfsprekendheid. Het is belangrijk dat je onafhankelijk van subsidie je eigen ding doet, en dat je niet blijft hangen in het verleden. Maar ik vind het te ver gaan en principieel fout om te zeggen dat je niet afhankelijk bent van investeerders. Want die hebben de verantwoordelijkheid om de samenleving leefbaar te maken en van geluk te voorzien. Wij hebben dat geregeld via de belasting. Dat is niet slechter dan wat er in Amerika gebeurt. Sterker nog: het geld is daar ongelijk verdeeld en het systeem is zeer inefficiënt. In een grote Amerikaanse kunstinstelling werkt 50% van de mensen aan fondsenwerving. Is dat duurzaam? Ik vind van niet. Je kunt kritisch zijn over de subsidies, maar het is de beste en meest efficiënte manier om als samenleving te investeren in kunsten. Probleem is wel, dat wij als burgers in Nederland niet meer de binding hebben met die kunst. We zeggen niet meer: dit is ons museum, dit is onze opera. We staan daar los van en denken dat de overheid maar wat doet met ons geld. Dat is het verschil. In Amerika staat je naam erop, en zegt iedereen dankjewel als je je geld gegeven hebt. We moeten hier dus hard werken aan het collectieve eigendom van de kunst.’

Verschenen in het podiumkunstenvakblad Theatermaker.

Meer schrijfhulp?

Schrijf je in voor de nieuwsbrief.

Scroll Up