instagram

Interview met oud TIN-directeur Henk Scholten, over wat er mis ging (TM september 2012)

Tenzij er nog wonderen gebeuren snijdt het mes komende maanden diep in de vezels van de gesubsidieerde cultuursector. Het theaterinstituut Nederland (TIN) is een van de slachtoffers. Directeur Henk Scholten hoorde het nieuws al in mei vorig jaar en streed sindsdien voor het behoud van het sectorinstituut en het bijbehorende theatermuseum. Vergeefs, naar het zich nu laat aanzien.

Dat de sectorinstituten voor alle kunstsectoren moesten verdwijnen, was een van de eerste concrete maatregelen die Halbe Zijlstra als staatssecretaris voorschreef aan de Raad voor Cultuur. Nu de adviezen klaar zijn, blijkt dat van die voorgestelde maatregel alleen de sluiting van het Muziekcentrum Nederland en het Theaterinstituut Nederland daadwerkelijk zijn doorgevoerd. Architectuur en vormgeving, de film, de cultuureducatie en de amateurkunst hebben in al dan niet gewijzigde vorm hun sectorinstituut behouden, en zelfs de bibliotheken, een krimpsector bij uitstek, toucheren 14 miljoen voor een eigen koepel.

De muziek- en theatersector hebben dus niet goed gelobbyd, zou je zeggen. En terwijl de erfgoedsector grotendeels de bezuinigingsdans ontspringt, sneuvelt ook nog eens het Theatermuseum, dat de afgelopen jaren bestond in reizende tentoonstellingen. Iemand in de top moet verschrikkelijk geblunderd hebben, zou je zeggen. ‘Praat ik nu met diegene?’ vraag ik aan Henk Scholten. Hij vindt van niet:

‘In 2009 werd het TIN nog beloond voor zijn goede werk met een substantiële verhoging van het subsidie. OCW erkent ook dat de subsidie niet is stopgezet omdat beide instituten niet voldeden. De reden die Zijlstra heeft gegeven zijn: 1: de basis infrastructuur moet kleiner, 2: producerende instellingen gaan voor ondersteunende instellingen en 3: er zijn brancheorganisaties die een paar taken heel goed over kunnen nemen.’

Klinkt ergens wel logisch.

‘Maar dan zou de bioscoopbond ook heel makkelijk de taken van het filminstituut hebben kunnen overnemen. Die hebben nog veel meer geld dan de gesubsidieerde theatersector. Die argumenten zijn eigenlijk ook toepasbaar op andere disciplines, maar ze zijn alleen toegepast op de podiumkunsten. Ik denk dat de enige verklaring voor waar het is misgegaan is, dat de podiumkunsten extra zijn aangepakt, en dat we in sterke mate slachtoffer zijn geworden van de politieke dapperheid van een coalitie die juist in die podiumkunsten het mes wilde zetten. Ik wil daar een ding bij zeggen: onze eigen brancheorganisaties, ook in de Federatie van Brancheorganisaties, hebben wel heel erg hard geroepen dat de productie voorrang moest hebben op de ondersteuning. De brancheorganisaties hebben de staatssecretaris niet veel in de weg gelegd.

Maar jullie hebben met de beruchte Tafel van Zes nog bij de staatssecretaris om de tafel gezeten. Zes zware directeuren en vertegenwoordigers van belangenverenigingen. Jullie probeerden een compromis te maken, maar Zijlstra heeft dat bijna schaterend naast zich neergelegd. Zo is althans het beeld.

‘De Tafel van Zes was kunstenbreed. Ik zat daar niet in namens het TIN, maar namens alle sectorinstituten, zoals Siebe Weide van de Museumvereniging er zat namens de verzamelde werkgeversorganisaties. Een van de dingen die er zijn misgegaan is dat het in de publiciteit gezien werd als een persoonlijk initiatief van zes dames en heren. Maar het was een initiatief van die organisaties waar die dames en heren in zaten. Die zes hadden dus een achterban, waarmee ook met een zekere regelmaat is gesproken.

Maar uiteindelijk heeft die achterban jullie laten vallen.

‘Een paar wel. Maar dat zat niet bij mijn achterban. Niet bij de werkgevers, niet bij de sectorinstituten, maar het sterkst bij de vakbeweging en in mindere mate bij Kunsten ’92. Ik weet uiteindelijk ook niet waarom het niets heeft opgeleverd. Zijlstra heeft een maand geleden in het Parool gezegd dat er wellicht iets aan de bezuinigingen gedaan had kunnen worden als de sector met de goede argumenten was gekomen. Daar zijn de begrijpelijke reacties op gekomen van: “schande!”, maar niemand heeft hem tot nu toe gevraagd welke argumenten dat dan hadden moeten zijn. Dat is eigenlijk heel vreemd. Wat de Tafel van Zes niet gedaan heeft, maar ook niet kon, was een onderhandelingsstuk op tafel leggen. We kwamen met een Mission Statement, terwijl er eigenlijk onderhandeld moest worden. Dat is achteraf gezien de reden waarom het mis ging. We zijn gefaald in de lobby. Er was geen draagvlak om te onderhandelen.’

Wat voor onderhandelingsmateriaal zou jij hebben ingezet?

‘Ik vind dat moeilijk te bedenken in de richting van de coalitie die er zat. Er is natuurlijk ook veel over de toon van de bejegening gesproken. Daarvan zegt Zijlstra nu dat we daar niet op moeten blijven hameren. Ik ben het daarmee eens, maar hij kan natuurlijk niet ontkennen dat de toon vanuit de PVV en de VVD tamelijk vijandig was. Het ging over linkse hobby’s, we zouden elitair zijn, er was geen publiek. Het ging helemaal niet over de inhoud of de maatschappelijke betekenis van kunst, die natuurlijk wel degelijk centraal staat. In de landen om ons heen is dat wel nog een onderwerp waar het gewoon over mag gaan. Het zal wel zo zijn dat je met dat soort dingen de oorlog niet wint, maar door de eeuwen heen heeft de kunst wel degelijk invloed gehad. En juist als Theaterinstituut zouden we dat kunnen laten zien, omdat we die geschiedenis hier in huis bewaren.’

Het aantal pleidooien in die richting was, zacht uitgedrukt, nogal overvloedig, maar ook tandenloos. Is mijn inschatting.

‘Dat blijkt. Dit kabinet stelde de de financiën heel erg centraal en hamerde op de eigen verantwoordelijkheid. Dat is de meest principiële verandering die Zijlstra heeft doorgevoerd: de sector is zelf verantwoordelijk, en de overheid komt aan bod als er aangevuld moet worden. In de kern ben ik het daar ook wel mee eens. De sector moet zelf zijn verantwoordelijkheid nemen, maar moet wel de overheid kunnen aanspreken zoals andere groepen in de maatschappij dat ook doen: gezondheidszorg, wegenbouw. Die positie kiezen, om zelf verantwoordelijkheid te nemen, en vervolgens te formuleren wat de betekenis is, en dan aan te geven waar je wilt dat de minister steun verleent, dan praat je over een wezenlijk andere opstelling in de onderhandelingen.’

Onderhandelen is ook meedenken. Erfgoed was een sterk punt geweest om alles op in te zetten. Hadden jullie niet veel meer moeten inzetten op die erfgoedfunctie?

‘We hebben altijd gezegd dat we voor de helft aan erfgoed doen, en voor de andere helft sectortaken uitvoeren.’

Maar had je dat niet moeten verleggen naar 80 om 20?

‘Je kunt dat niet zomaar doen. In 2009 werden de sectorinstituten onderdeel van de basisinfrastructuur, een instituut per sector. Al die instituten kregen dezelfde besteltaken. Archivering was daar één van. Het TIN was daarop al een uitzondering omdat we zoveel aandacht besteedden aan erfgoed. Met de kennis van nu had het TIN destijds nooit akkoord moeten gaan met de term ‘sectorinstituut’. In de praktijk is onze rol vooral museum, met sectortaken eraan toegevoegd. Die betiteling sectorinstituut maakte dat het leek of dat nog het enige was dat telde. Dat museum raakte tussen wal en schip. De staatssecretaris kan nu met droge ogen zeggen dat dat museum en de collectie helemaal zijn verantwoordelijkheid niet zijn, omdat het een private collectie is. Maar de ironie wil dat die verzameld is op basis van overheidssubsidie, en dat ook de collectie zelf altijd gesubsidieerd is. Daarom voeren wij nu die rechtszaken.

Maar we hebben dus altijd onze erfgoed taken serieus genomen. Vanaf 2008 op een andere manier dan daarvoor, met reizende tentoonstellingen. In het advies van de raad voor cultuur van 2009 wordt de museale aanpak van het TIN ongeveer ten voorbeeld gesteld aan het hele museumbestel: “eindelijk een club die zijn collectie ook digitaal zichtbaar maakt, die ermee de boer op gaat.” Dat was de argumentatie: cultureel ondernemerschap in de museale sector. Die zelfde Raad voor Cultuur zegt twee jaar later: ze zijn nomadisch, dus ze zijn geen museum. Dat is in volstrekte tegenspraak met twee jaar daarvoor. Dat maakt het wel ingewikkeld.’

Je bent zodanig bij verrassing gepakt, dat een goed antwoord niet meer te bedenken was?

‘Dat Halbe Zijlstra in 2011 zo rigoureus een einde maakte aan de erfgoedtaken van het TIN kwam voor iedereen als een complete verrassing. Op dat moment hebben we onmiddellijk gezegd: dit is een weeffout: je wil een einde maken aan het TIN als sectorinstituut, maar maakt een einde aan het TIN als museum. Toen heeft hij aangegeven dat we een aanvraag konden indienen als museum. We hadden een prachtig plan met de Stopera ontwikkeld, en daar werd ook in de wandelgangen heel positief op gereageerd. De verwachtingen waren hooggespannen. De raad voor cultuur had absoluut de mogelijkheid om daar in mei een positief advies op te geven. Er was ruimte, dat zie je nu ook in de toewijzingen die in tweede termijn zijn gemaakt. Ze hebben een paar extra musea kunnen promoveren, door een paar delen van procenten van het budget van de andere musea af te halen. Als ze ons 2 miljoen hadden gegeven, hadden ze misschien driekwart procent bij de andere musea weg moeten halen. Dat had gekund.’

Waarom deden ze dat niet?

‘Hun argument was dat ze het museumplan geen museumplan vonden omdat we nomadisch waren. We zouden meer een presentatie-instelling zijn dan een museum. Tja. Ook daar hebben we weer bezwaar tegen aangetekend.’

Nu heeft Halbe Zijlstra jullie spaargeld afgepakt.

‘Het is nu nog onder de rechter. Onze inzet is heel duidelijk. We moeten de collectie kunnen overdragen aan een instelling die sterk genoeg is om daar ook zorgvuldig het beheer van te kunnen voortzetten. Als wij een bruidsschat mee kunnen geven aan de UvA, dan zou daarmee de toegankelijkheid voor de toekomst geborgd kunnen zijn. Maar daarvoor moeten we ook overeenstemming hebben met OCW. Die motie van de Kamer om zorg te dragen voor het borgen van de collectie is aangenomen, en helpt ook wel. Ik heb goede hoop dat we er voor Prinsjesdag uit zijn. Maar ik heb wel vaker gehoopt.’

Je verlaat per 1 september het TIN. Toen in Italië een kapitein van een zinkend cruiseschip iets eerder van boord was dan zijn passagiers, viel de wereld over hem heen. Hoe gaat dat hier?

‘In goede harmonie. Ik heb ook met de nieuwe werkgever en het bestuur hier afgesproken dat ik beschikbaar blijf tot het einde van het jaar. Ik ben nu al een beetje in Den Haag bezig. Pim Luiten wordt per 1 september de nieuwe directeur-bestuurder, en we werken al een tijdje samen omdat hij al mijn plaatsvervanger was. Vanaf 1 september blijf ik beschikbaar als adviseur van het bestuur. Ik kan me nog op één ding richten, en dat is de toekomst van de collectie. Andere belangrijke zaken zijn inmiddels enigszins geregeld: de internationale kant en het ‘blind date’-programma worden door het Bureau Promotie Podiumkunsten overgenomen. Nu is er voor mij ook niet zoveel meer te doen, hier. Dan is het ook nog een mooie besparing op de frictiekosten, dat ik nu al vertrek.’

Maar hoe vindt het personeel het?

‘Vorig jaar september zijn we begonnen met tegen iedereen te zeggen dat ze vanaf nu voor zichzelf moesten kiezen. Iedereen kreeg sollicitatietrainingen, outplacementbegeleiding. Er zijn ook al heel wat mensen vertrokken. Ik moet me ook met mijn eigen toekomst bezighouden. Er zullen ongetwijfeld mensen zijn die van alles over mij denken, maar dat wordt niet hardop tegen mij gezegd. Ik heb ook heel expliciet gemaakt naar de medewerkers dat ik na 1 september nog steeds beschikbaar ben voor de reddingsoperatie, om het maar even in scheepstermen te houden. Maar het wordt hier wel steeds leger.’

Hoop je nog op een wonder uit de tweede kamer?

‘Ik verwacht niet dat de kamer zal stemmen voor het behoud van het sectorinstituut voor de podiumkunst. Ik vind het eigenlijk vooral uitermate treurig dat de sector zelf zich niet sterk gemaakt heeft voor het behoud van het eigen erfgoedinstituut. Ze hebben het uit handen laten vallen.’

Bozer op de sector dan op Zijlstra?

‘Niet boos, maar ze hebben het wel laten gebeuren. De afgelopen jaren heeft men vooral naar het eigen belang gekeken, en gedacht: als ik ga pleiten voor subsidie van iemand anders, kost dat mij misschien geld. Er was geen gemeenschappelijke strategie. Nu is er wel een gemeenschappelijke inzet om het Fonds Podiumkunsten meer geld te geven, en daar ben ik blij om, maar veel hoop op het behoud van het TIN heb ik niet.’

Is de collectie niet in veel betere handen bij de UvA?

Ik denk dat de collectie binnen de UvA redelijk veilig is. Hij past ook binnen de collecties die de UvA al heeft. Het risico is dat de universiteit verder van de sector af staat dan wij. Het ‘up to date’ houden van de collectie is letterlijk dagelijks werk. Er is altijd wel een première, er overlijden mensen. Daarvoor is het heel cruiciaal om dicht bij de sector te staan, omdat dat de enige manier is waarop de sector jou ziet als het punt waar je dat soort zaken moet bewaren. Daar zal een universiteit stevig in moeten investeren. Of daarvoor de stichting TIN moet worden behouden, of dat we een vriendenstichting in het leven roepen met toonaangevende mensen uit de sector: daarover zijn we nog volop bezig. De relatie met de sector moet blijven leven.’

Meer schrijfhulp?

Schrijf je in voor de nieuwsbrief.

Scroll Up
Waarmee kan ik je helpen?
Holler Box