instagram

Interview met Hein van der Heijden, geplaatst in TM van september 2012

Lang stond Hein van der Heijden in de schaduw van grote acteurs. Tot hij vertrok bij Toneelgroep Amsterdam en opeens in The Lion King stond. Inmiddels is hij terug bij zijn grote liefde: het toneel. Te zien in Mighty Society, bekroond voor zijn rol in Oom Wanja. Voor een carrière die steeds beter wordt.

“Ik ben voor zowel de rol van dokter Astrow in Oom Wanja, als voor mijn vertolking van Vincent in in ‘Vincent en Theo’ genomineersd. In het juryrapport staat zelfs iets over mijn carrière tot nu toe. Over hoe ik me na mijn vertrek bij Toneelgroep Amsterdam ontwikkeld heb. Eerst die Sinatra-musical met Frans Weisz. Dat was ontstaan omdat ik op bruiloften en partijen met collega Hajo Bruins altijd liedjes zong. Bij het afscheid van Gerardjan Rijnders hebben we toen opgetreden. Dat leidde tot een auditie voor die Sinatra-musical.

“Dat was eigenlijk helemaal ‘not done’. Ik durfde bij wijze van spreken De Smoeshaan niet meer in. Musical is toch wel het meest abjecte wat er bestaat. Ik vond het een interessant project omdat Frans Weisz dat ging regisseren. Het leverde een nominatie op voor de Johnny Kraaijkamp Musical Award, tot mijn grote verbazing. Tussendoor heb ik nog iets in het Amsterdamse Bos gedaan, met Liesbet Coltof gewerkt, met Dood Paard. Uiteindelijk kwam ik daarna in The Lion King terecht. Dat was helemaal een gotspe. Dieper kon ik niet zinken, natuurlijk. Dat vond men het einde van mijn acteurscarrière. Zo zag ik het zelf niet, maar daarna is er wel veel veranderd. Ik kwam Eric De Vroedt tegen. Hij vroeg mij voor MightySociety 4. Dat was een heel belangrijk omslagpunt. Door Eric kreeg ik dat gevoel van puur spelen terug. Ik kreeg weer een enorme kracht en zelfvertrouwen. Omdat ik lekker aan het spelen was. Vanaf dat moment zat er weer een stijgende lijn in mijn carrière.”

“Ik ben totaal niet met toneel opgevoed. Ik kom uit het prachtige Heerlen in het diepe zuiden. We waren import. Mijn vader overleed op zijn 33ste aan een hersenbloeding. Ik ben door mijn moeder opgevoed, en zij hield erg van muziek. Muziek was iets, maar toneel, daar was geen sprake van. Op de middelbare school waren er ook twee dingen die je absoluut niet deed, omdat je dan een watje was: bij de toneelclub, of bij de dansclub gaan.

Ik ging Nederlands studeren in Nijmegen, en was enorm op zoek. Ik speelde wel in bandjes, en ik trad ook op. Zo kwam ik bij het studententoneel terecht. Langzaam maar zeker begon het toen bij mij te bruisen. Ik keek enorm op tegen dat acteren. Niet zozeer het toneel an sich, want ik ging wel eens naar de schouwburg, maar daar vond ik niks aan. Ik was vooral gefascineerd door wat er in die kleine zaaltjes gebeurde, in O42, dat soort plekken. Mensen die op een podium stonden en het voortouw namen. Prachtig vond ik dat. Ik moest dus die kant op.

In Amsterdam probeerde ik het eerst. Ik deed auditie en klapte totaal dicht. Ik kon er niets van. Halverwege ben ik terug gegaan. Later hoorde ik van iemand dat er ook en school in Arnhem was. Bij mij om de hoek. En daar klikte het meteen. Gelukkig, want Maastricht zou ik nooit kunnen doen, omdat dat een terugkeer naar Limburg zou inhouden.

Arnhem was een hele goede tijd. Dat is ook mijn theorie: ik vind dat je af en toe in je leven zoiets mee moet maken. Dat zijn belangrijke momenten. Uitgekozen uit vierhonderd auditanten. Dan ben je een hele meneer. Maar feitelijk begint de ellende dan pas. Mijn moeder vond ook dat ik eerst mijn studie had moeten afmaken. Het heeft lang geduurd, en nog steeds steekt die gedachte af en toe de kop op: niet te zeggen, “Ik ben acteur, maar…”, nee: “Ik ben acteur.” Simpel en duidelijk; geen twijfel mogelijk!

Je eigen gezelschap oprichten was een beetje de norm in Arnhem. Met Anton van Geffen, de toenmalige directeur, hebben we dus ons eigen gezelschap opgericht. Daar werkten we dan met behoud van uitkering voor, en ontvingen daarnaast nog een beetje subsidie. Anton overleed veel te jong, dat was een grote klap voor mij. Alsof het anker los was en ik werd stuurloos.

In het vierde jaar werd ik gevraagd voor Toneelgroep Theater (de voorganger van Oostpool) Dat was natuurlijk de vijand voor ons. Een groot gezelschap met allemaal ouwe lullen erin. Vonden wij. Maar Christiaan Nortier die ook bij ons lesgaf vroeg me voor een stuk over Woody Allen. Dat leek me heel erg leuk om te doen. Met Margreet Blanken, Guus Hoes. Het was een breuk met het kleine collectief, maar voor mij was het wel meteen een succesvolle productie. Ik kreeg ook een prijs voor mijn rol. Daar stond ik wel in de schouwburg. Dat is voortdurend de lijn in mijn carrière geweest: dat ik steeds weer op onverwachte plekken opdook. In de musical, bij het grote theater, bij Dood Paard.

Bij Toneelgroep Theater begon mijn ontdekking van wat men “De Praktijk” noemt, al deden ze ook van die hele rare stukken als De Bontjas, en Heijermans. Dat vonden wij echt niks. Je kunt je afvragen of we wel goed keken, maar toen waren we overtuigd tegen. Al snel kwamen Gees Linnenbank en Helmert Woudenberg de boel overnemen. Zij wilden tegen de vertrutting van het oude gezelschap ingaan. Groots en meeslepend, expressief theater. Ik ben daar heel snel weggegaan. Ik weet nog dat we met Helmert gingen improviseren. Toen zeiden een paar oudere acteurs dat ze dat niet gingen doen, en Helmert vond dat goed. Dat klopte niet.

Ik ben naar Baal gegaan, bij Leonard Frank. Dat was toen dé club. Maar ik kwam daar net toen de tent opgeheven ging worden, in het laatste jaar. Dat was een rampzalige tijd. Het was helemaal niet leuk, bij Baal. Zat je in de Blincker Gauloises te roken, en niemand die naar je keek of in je geïnteresseerd was. Verschrikkelijk. Via Elja Pelgrom leerde ik toen Karst Woudstra kennen. En via hem kwam ik bij het Publiekstheater voor Stilte, Norens opvolger van de hitvoorstelling ‘Nacht, moeder van de dag’. Voor mij een zeer belangrijke rol, waar ik Karst dankbaar voor ben, maar wat jammer was dat “men” even klaar was met weer een vijf uur durende Noren over een alcoholische vader en een verstoord, verscheurd gezin.

Het Publiekstheater werd opgeheven, Karst Woudstra ontslagen, Gerard Jan Rijnders richtte een nieuw gezelschap op: Toneelgroep Amsterdam. Mensen werden gedwongen te kiezen. In De Smoeshaan was het ook allemaal gedoe met al die acteurs die om Gerardjan heen hingen. Iedereen was in paniek. Je had die mensen die jaren hadden gewerkt bij het Publiekstheater, Baal en Toneelgroep Centrum (die met Toneelgroep Baal en Publiekstheater in TA zou opgaan). Iedereen moest weg en er moest een nieuwe club komen. In dat circus zag ik mezelf echt niet meegaan.”“Ik ging naar het ro Theater, dat toen net naar de nieuwe Rotterdamse Schouwburg was gegaan. De eerste voorstelling waarin ik meedeed was Marathondans, naar de film ‘They Shoot Horses, Don’t They?’. Het stuk werd van het repertoire gehaald. Dat klopte niet. Dat was ook een rare club met mensen van Arnhem en van Maastricht. Dat was geen geheel. Het klikte niet. Toen ben ik ook daar weer weggegaan.

Ik zeg nu bij het lesgeven op de toneelschool dat mensen zich moeten voorbereiden op veel teleurstellingen. Als je daar niet tegen kunt, ben je niet geschikt voor het vak. Het klinkt misschien heel zwartgallig, maar ik heb me in die tijd, na mijn toneelschool, niet op mijn gemak gevoeld. Uiteindelijk gaat het erom dat je mensen tegenkomt die dat uit je halen wat in je zit. Zoals ik had met Eric de Vroedt. Dat is uiteindelijk wat je gaande houdt. Op een gegeven moment komt er een clubje mensen bij elkaar en die stimuleren elkaar geweldig. Neem Theu Boermans en De Trust, of Mighty Society. Het is een voetbalelftal. Iedereen staat op de goede plek, en dan loopt het. Als het niet loopt geeft het vaak ook met personen of met ego’s te maken.

In mijn geval was het ook zoiets. Na het Ro-Theater heb ik een tijd niet gespeeld en niet meer willen spelen, tot ik gevraagd werd door Gerardjan om alsnog bij TA te komen. Ik dacht: nu gaat het gebeuren. En in het begin was het ook te gek, maar al heel snel werd het daar ook minder. Ik kreeg niet wat ik wilde, ik zat verkeerd in de hiërarchie van het gezelschap, kon mezelf niet manifesteren. Ik speelde heel vaak kutrollen, om het zo maar eens te zeggen. Kleine rollen. Ik kwam niet tot mijn recht.

In het gezelschap werkte het zo dat je in een seizoen een keer een grote rol mocht, een middelrol en een kleine rol. Op papier is dat heel mooi. Maar Gerardjan was in principe niet in mij geïnteresseerd als acteur. Of ik communiceerde niet goed met hem. Daarom is het nu zo spannend dat het in Oom Wanja wel zo goed gaat.

Bij Toneelgroep Amsterdam heb ik het ook niet afgedwongen, of ik was er niet toe in staat om het af te dwingen. Dus Toneelgroep Amsterdam was helemaal niet zo leuk. Het begon voor mij pas een beetje te lopen toen ik dingen kon gaan doen die ik zelf bedacht. En het werd helemaal leuk toen Gijs de Lange kwam. Gijs zal het wel heel erg met me zitten. Dus toen speelde ik Glenn, en allemaal rollen waarbij het met me gebeurde. Je mag dat natuurlijk nooit aan een ander wijten, dus het zal heel erg met mezelf te maken hebben gehad. Maar in bepaalde gevallen lukt het. Gelooft iemand in je, haalt die dingen uit je waarmee je naar grotere hoogte stijgt.

Dat ik nog zo lang bij Toneelgroep Amsterdam gebleven ben, is achteraf een raadsel. Maar hoe ongelukkig je ook kunt zijn, het is toch familie van je, en ieder jaar gebeurt er wel weer iets waardoor je denkt: laat ik het nog maar even proberen. De laatste jaren wilde ik er echt uit, maar het lukte niet. Of ik kon het niet, of ik wilde toch niet echt, of ik durfde het niet. Dat wordt wurgend op een gegeven moment, en dan moet er toch iets van buiten komen. In dit geval was dat Ivo van Hove. Het was een enorm gedoe. Ik praatte er ook veel over met Fred. Ik bedacht: ik kan blijven, maar beter is: nu moet ik durven. Ik stap er gewoon uit, en ik zie wel wat ervan komt.

Raar genoeg is het daarna alleen maar beter gegaan. Juist omdat ik ook gedwongen werd om die keuzes te maken voor musicals. Ik hoefde aan niemand verantwoording af te leggen. Je hebt niks, en dus heb je ook niks te verliezen.

Hajo en ik waren makkers bij TA. Hij is twee jaar langer gebleven, en uiteindelijk ook de musical in gegaan. Ik ben er na een jaar The Lion King uit gestapt. En ik kende de andere kant: ik had al met Dood Paard gewerkt, met Nieuw West. En dat vond ik hartstikke leuk. Dat soort ‘kleine’ dingen, daar heb ik altijd het belang van ingezien. Dat was voor mij vanzelfsprekender. Ik wilde niet een heel jaar lang met niets anders bezig zijn dan optreden in zo’n musical. Het is een mazzel geweest dat ik Eric de Vroedt tegen ben gekomen. Misschien dwing je het wel af, maar daarmee is ontzettend veel veranderd. Hij heeft een manier van werken die goed bij mij past. Het is een klein clubje, waar de omgang erg prettig en persoonlijk is. Bram Coopmans is een geweldige collega en Eric is ook iemand die heel erg afstemt op wat jij kan en wie je bent. Hij kan goed uit mensen halen wat erin zit.

Bij Toneelgroep Amsterdam was ik grijs en werd ik grijzer omdat niemand me zag. Het bemoeilijk het samenwerken met Gerardjan nu niet, dat ik zo over het verleden denk. We hebben het er wel eens over, maar Gerardjan is ook niet zo iemand die lang in het verleden blijft hangen. Ik heb wel mijn angst uitgesproken toen we weer begonnen. Met Gerardjan en Janine Brogt bij Oom Wanja zat daar toch weer dezelfde club achter de regietafel. Tijdens de eerste repetitieweek ging het ook helemaal niet. Maar Gerardjan wil heel graag dat je dingen aanbiedt. Dat je laat zien wat je bedacht hebt en dat je zelf de verantwoordelijkheid neemt. Dus dat heb ik nu wel gedaan. Nu kon ik het. Destijds bij TA was ik misschien te afhankelijk, wist ik te weinig wat ik in me had. Ik zat af te wachten in plaats van dingen aan te bieden.”

Meer schrijfhulp?

Schrijf je in voor de nieuwsbrief.

Scroll Up