Crisis in het Onderwijs – Illuster: ‘Wetenschappers willen onderwijzen, maar het kan niet’


Het lijkt niet goed te gaan met het onderwijs, zoals mag blijken uit de stroom van publicaties in de landelijke dagbladen en de vakpers. Tegenstanders van ‘het Nieuwe Leren’ staan recht tegenover onderwijskundigen die hard werken aan nieuwe methodes van leerlingbegeleiding. Wetenschappers klagen over het niveau van studenten. Illuster sprak met vijf direct betrokkenen.

,,Wij komen uit een tijd dat je in wel zeven hele vakken eindexamen moest doen. In die periode, de zeventiger en tachtiger jaren van de vorige eeuw, was het onderwijs echt heel erg slecht. Dat is een zwarte bladzijde uit de geschiedenis.” Elisabeth Al, tot voor kort algemeen directeur van een grote scholengemeenschap in Zoetermeer en inmiddels zelfstandig consultant, windt er geen doekjes om. Niet alleen zijzelf, maar ook haar gesprekspartners, vier alumni, oud-studenten die in verschillende periodes afstudeerden van de Utrechtse Universiteit, hebben slecht middelbaar onderwijs genoten. ,,Dat jullie allemaal goed terecht zijn gekomen is eigenlijk een wonder. Er is maar een periode waarin je de kans hebt om breed opgeleid te worden en alles te leren over kunst, wetenschap, cultuur en talen. Dat is de middelbare school. Het is bijna misdadig om dat onderwijs dan zo te versmallen tot die zeven vakjes die je vroeger op het vwo kreeg.”

De vijf alumni zijn het over dat gegeven eigenlijk wel eens. Naast Elisabeth Al, zijn dat haar echtgenoot Titus Al, onderwijsdirecteur van een middelbare school, Jetty Schaap, instituutsdirecteur bij de Hogeschool Arnhem Nijmegen, Ieke Rozendaal, biologie- en ANW-docent van een school in Almelo en Adri Thomas, onderzoeksleider aan de Utrechtse Faculteit Bètawetenschappenen onlangs uitgeroepen tot ‘Docent van het jaar’.

Was vroeger alles beter?

Ieke Rozendaal vond bij het opruimen laatst collegeaantekeningen terug uit haar eerste jaar op de Universiteit: ,,Daarin stonden wetenschapsfilosofische zaken die ik toen pas voor het eerst leerde, maar die ik nu in 4 vwo behandel: over Carl Popper, over de ontwikkeling van wetenschapsfilosofie. Dat kreeg ik vroeger niet op het vwo.”

Wetenschapsfilosofie in 4 vwo klinkt inderdaad opmerkelijk voor iemand die in de jaren zeventig op school zat, erkent ook Adri Thomas. Maar er is ook een keerzijde, zo meent hij: ,,Het belangrijke mopperpunt is nu dat leerlingen veel vaardigheden hebben, maar niet meer goed in staat zijn om die kennis te toetsen op grondigheid, op diepgang, op waarheid: ze zijn snel in het reproduceren, maar de diepte ontbreekt.” Volgens Elisabeth Al is die ‘diepte’ een relatief begrip: ,,De kinderen van nu leven natuurlijk ook in een heel andere omgeving dan wij. Toen was een computer een volstrekte uitzondering. Bronnen uitzoeken betekende zwaar werk, terwijl je het nu op internet zo gevonden hebt. Dertig jaar geleden moest je daarvoor nog met paard en wagen naar de bibliotheek in de grote stad, bij wijze van spreken. Misschien verwarren we dat zware werk wel met diepgang.”

Is het onderwijs van nu dus inderdaad veel beter dan, pakweg, 15 jaar geleden? Volgens Titus Al zijn er goede ontwikkelingen, maar zolang het er nog niet zo aan toe gaat als op de Luxemburgse school waar hij werd opgeleid, is er nog veel te doen: ,,Ik heb in de jaren zestig de ideale middelbare school gehad. Ik zou ervoor zijn om die nu ter plekke landelijk in te voeren. Ik had docenten die elke dag experimenteerden met het opbouwen van zelfstandigheid bij de studenten. Het was een school met een drukpers, volgens het Freinet-principe, terwijl ook theorieën uit het Montessori en Dalton-onderwijs werden gehanteerd. Je deed bij voorkeur Gymnasium Alfa en Bèta tegelijk. We kregen filosofie volgens het Franse systeem, moderne talen hoorden alle vijf tot het basispakket. Je kreeg scheikunde van een docent die alleen Italiaans sprak. Dan kon je ervoor kiezen om het onderwijs op hoog niveau in het Italiaans te krijgen, of op laag niveau door zelfstudie. Zo gold dat voor alle vakken: leerlingen bepaalden zelf op welk niveau ze geëxamineerd wilden worden. Het Cito presenteert dit al jaren als mogelijkheid. Maar niemand wil eraan.”

Angst voor vernieuwing

Vernieuwen en onderwijs horen bij elkaar, maar het vernieuwen zelf is moeilijk. Jetty Schaap ondervindt dagelijks hoe inspannend en hoe moeilijk dat voor sommigen docenten is: “In het HBO wordt nu gewerkt met totaal nieuwe programma’s, zoals een gemeenschappelijke propedeuse voor eerstejaars HEAO- studenten. Dan moet je als docent je vak los durven laten en tegelijkertijd nieuwe methoden ontdekken. Dat kost veel tijd en die is niet altijd beschikbaar.”

Toch bestaat er nog altijd veel angst voor vernieuwing bij docenten. De snelheid waarmee zich momenteel echter ontwikkelingen voltrekken vereist juist wel dat je als leraar je oude zekerheden op het spel durft te zetten. ,,Er zijn soms leerlingen die van een bepaald onderwerp meer afweten dan jij als docent weet”, vertelt Ieke Rozendaal. ,,De eerste keer dat je dat tegenkomt is dat heel raar. Er komen ook vragen van leerlingen waar ik geen antwoord op heb. Een leerling wilde weten hoe MP3-compressie werkte. Ik kon hem niet helpen. Ik zei: ‘ik weet het ook niet, maar ga het uitzoeken en vertel mij er alles over, want ik wil het ook weten.’ Dat is uiteindelijk prachtig.”

Toch blijft zo’n open houding een uitzondering op de regel. Er is, zo concluderen de aanwezigen, grote behoefte aan docenten die hun onderwijstalent combineren met wetenschappelijke nieuwsgierigheid. Want wetenschappers zijn opgeleid om hun hele leven nieuwsgierig te blijven. Dat is het logische gevolg van de academische vorming.

Liefde voor de wetenschap, liefde voor het onderwijs

Daarmee komt ook het ideaal van KNAW-president Frits van Oostrom in beeld: het onderzoekende onderwijs, waar de universiteiten zich op zouden moeten kunnen richten. Dat zou niet alleen goed zijn voor de relatie met de middelbare scholen, ook het hbo heeft baat bij zo’n vernieuwingsslag. Tenslotte komt momenteel het leeuwendeel van de docenten nog van het hbo. Wanneer de daar opgeleide leraren ook wetenschappelijker naar hun vak kijken, is er veel bereikt. Maar het hbo-onderwijs is praktijkgericht, en universiteiten zijn huiverig om met hbo-instituten samen te werken. Dat staat een meer wetenschappelijke vorming van aanstaande leraren in de weg, volgens Jetty Schaap: ,,Er is nog steeds een soort strijd tussen hbo’s en universiteiten of hbo-studenten wel zomaar mogen doorstromen naar de universiteit. De instroom op het hbo is immers afkomstig van mbo en havo. Zijn die studenten na het hbo wel in staat om de wetenschap in te gaan? Dat is de primaire kwestie.”

Is er nog een wereld te winnen met een betere aansluiting van het hbo op de universiteit, het is ook hard nodig dat wetenschappers zicht weer meer interesseren voor het onderwijs. Want ook uit eigen ervaring weten alle aanwezigen dat middelbare scholieren veel meer opsteken van een docent die ook een bevlogen onderzoeker is, dan van iemand die dertig jaar oude lesstof herkauwt.

Adri Thomas ziet wel mogelijkheden: ,,Vijf procent van onze afgestudeerden gaat door voor promotie. Daar krijgen ze vier jaar voor. Ik zou het heel fijn vinden als ze een half jaar extra zouden krijgen en dat ze die tijd kunnen besteden aan het geven van onderwijs op een middelbare school. Heel vaak blijkt dat ze dat leuk vinden.”

Zoiets zou volgens Titus Al weer heel goed te combineren zijn met het nieuwe plan dat hij heeft ontwikkeld. Dat plan behelst zogenaamde ‘Masterclasses’, waarin leerlingen een project doen waarbij ze uiteindelijk beoordeeld worden door iemand die dat vak ook zelf doet. ,,Het zou natuurlijk prachtig zijn als we daarin ook samenwerking zoeken met universiteiten. Wetenschappers die een deel van hun onderzoek delen met middelbare scholieren. Dat zal iedereen spannend vinden. En aan het geld hoeft het niet te liggen. Zoveel extra kosten komen daar niet bij.”

Met zulke plannen kan het reguliere onderwijs ook weer aantrekkelijk worden voor wetenschappers. Want dáár ligt volgens iedereen toch het grootste probleem, en niet bij de middelbare scholier van nu. Die scholier is wel degelijk te motiveren. Wanneer het voor een wetenschapper weer een normale en gerespecteerde keuze wordt om aan onderwijs te doen, stijgt dus ook het aantal voor wetenschap gemotiveerde scholieren vanzelf.

Voor het zover is, is er echter nog veel werk te doen, concludeert Adri Thomas. Onder wetenschappers staat lesgeven nog altijd niet hoog aangeschreven: ,,De Universiteit Utrecht heeft dan toch, ondanks al die tegenwind, de afgelopen tien jaar zoveel in het onderwijs geïnvesteerd, dat het inmiddels de ‘onderwijsuniversiteit’ van Nederland is. Collega-universiteiten vinden dat maar zozo, maar ik vind het iets om trots op te zijn.”

Verder Lezen:

KADER 1: Frits van Oostrom – president KNAW: ‘Evenwichtskunst is niet mannelijk’

Frits van Oostrom, mediaevist en president van de Koninklijke Nederlandse Academie voor Wetenschappen, hield in mei van dit jaar een opmerkelijke jaarrede. In onverwacht felle bewoordingen sprak hij zich uit voor meer overheidsinvesteringen in fundamenteel wetenschappelijk onderzoek, omdat de invloed van het bedrijfsleven te groot aan het worden was. Maar niet alleen de overheid moest het ontgelden. Ook de universiteiten leden in zijn visie teveel aan versnippering. Studenten moeten een studie kiezen uit een studieaanbod dat ‘veel overeenkomsten vertoont met de menukaart van een slechte Chinees’, maar mochten zelf ook wel weer wat harder gaan werken. Dit alles in een groot pleidooi voor ‘onderzoekend onderwijs’: onderwijs dat nauwer verwant is aan het hoogwaardige onderzoek dat op de universiteit wordt uitgevoerd.

Heeft de speech het beoogde resultaat gehad?

,,Als ik het huidige studieaanbod vergelijk met de menukaart van een goedkope Chinees, dan werkt dat snel door. Uiteindelijk is het grote verhaal dankzij dat soort prikjes wel goed overgekomen. Ik heb dus geen spijt van de speech. Dat moet ik misschien maar eens vaker gaan doen: iets bedenken waarmee ik wat opschudding kan veroorzaken.”

Politici vinden dat onderzoek direct en meetbaar rendement moet opleveren. Tegen zo’n tijdgeest valt toch niet op te vechten?

,,Let wel: ik heb niets tegen toegepast onderzoek ‘an sich’. Het is alleen belangrijk dat er meer ruimte komt voor creativiteit. Daar moeten ook middelen voor komen. Niet eindeloos, dat kun je ook niet van de bevolking vragen, maar het denken moet wel om. Uit alles blijkt dat we nu te maken hebben met een overheid die per se de regie wil voeren. Die heel duidelijk wil aangeven waar het met de wetenschap naar toe moet. Dat werkt verlammend.”

Theoretisch fundamenteel onderzoek heeft heel veel rust en heel veel tijd nodig. De bijna eeuwige student van vroeger had zo zijn nut. Toch roept u: de studenten van nu zouden wel eens wat harder mogen werken. Is dat geen contradictie?

,,Ik geloof ook wel in het nut van een zekere rijping bij studenten. Maar mijn context is anders. Ik had het ook over dat enorme keuze-aanbod, terwijl de studietijd is teruggebracht. En dat niet alleen. Een student van nu kan met behulp van de ‘leerrechten’ in principe elke maand van studie veranderen. Je ziet nu de cumulatie van effecten die allemaal bij elkaar niet heilzaam zijn. Studenten zijn nerveuzer geworden. En dan is het helaas ook nog zo dat het systeem van de studiefinanciering tegenwerkt. Ze geven aan iedereen iets, maar aan iedereen ook te weinig. Zo dwing je studenten om erbij te gaan werken. Men is pizzakoerier en studeert daarnaast chemie. Tel uit je winst.”

Wat kunnen we eraan doen?

,,Bijna iedere rector opent het academisch jaar met de stelling: we moeten keuzes maken. Dat roepen ze al twintig jaar. Intussen zijn er al heel wat keuzes gemaakt, maar toch zullen ze het volgend jaar weer roepen. Ik vind dat het besturen van een universiteit natuurlijk met keuzes maken te maken heeft, maar nog veel meer met evenwichtskunst. Dat is natuurlijk veel minder hip om te zeggen onder mannen. Ik heb al langer gezegd: bij elke studie aan de universiteit hoort een honours-traject voor studenten die meer willen en die meer kunnen. Kwaliteit heeft een prijs. Kijk: er ligt inmiddels wel een betuwelijn, een hsl. Er zijn straaljagers besteld. Daar was geld voor. Hoe idioot het ook heeft uitgepakt, en hoezeer men ook van tevoren wist dat ze onzinnig waren. Durf dan toch op zijn minst te investeren in onderwijs, dan zijn je investeringen heel wat nuttiger.”

KADER 2: Gerard van Koten – docent van het Jaar: Mopperen helpt niet’

Gerard van Koten is een hartstochtelijk voorstander van vernieuwing in het bèta-onderwijs, zowel in het voortgezet, als in het wetenschappelijk onderwijs: ,,We hebben een ongelofelijk boeiend vak, maar we laten dat niet zien aan de 13 en 14-jarigen van nu. Mijn kleindochter van drie zit achter de computer. Ben je dan op dertiende toe aan het bekijken, op de computer, van een proteïne, en je af te vragen, wat is dat? En kun je zoiets ook zelf maken? Spannend. Moeten we het daar dan niet over hebben?”

Gerard van Koten (64) is decaan van de nieuwe Bèta-Faculteit van de Universiteit Utrecht. In die functie is hij tevens betrokken bij de ontwikkeling van een nieuwe lesmethode voor het middelbare onderwijs in de bètavakken. Hoofdthema van de nieuwe benadering is het idee ‘Context-Concept’. Van Koten legt uit: ,,De context is het geheel aan verschijnselen in de wereld om ons heen, en die gebruiken we als inspiratie voor de les. Zo kunnen we een stuk verwondering laten voelen, een stuk uitdaging, waarmee we de leerlingen het besef  kunnen bijbrengen dat wetenschap niet af is, maar continu in ontwikkeling. En zo hopen we de leerlingen te kunnen verleiden om ook de onderliggende concepten te leren herkennen. Bijvoorbeeld: veel mensen weten niet hoeveel bèta-wetenschap er in een mobiele telefoon verborgen zit.”

,,Je kunt ook heel goed laten zien wat een scheikundige of een natuurkundige in de industrie doet. Daarmee biedt je leerlingen een heel andere kijk op wat dat schoolvak voor de maatschappij en je eigen carrière kan betekenen.”

Een groot probleem is het gebrek aan gemotiveerde en goed opgeleide docenten. Volgens Van Koten is daarin een enorme achterstand ontstaan: ,,We moeten de docenten van nu weer het gevoel geven dat zij zelf degenen zijn die de stof ontwikkelen. Daarmee spreek je leerlingen ook directer aan.”

,,Als je de huidige leerlingen niet aanspreekt, dan kiezen ze gewoon voor iets anders. Dat geeft ons een geweldig probleem, want we hebben structureel te weinig bèta-studenten. De leerling van vandaag heeft zo verschrikkelijk veel keuzemogelijkheden, die moet je aantrekkelijk onderwijs bieden dat aansluit op zijn belevingswereld. Dan kun je dat zien als kwaliteitsvermindering, maar ik zie het liever anders. Bijvoorbeeld dat je ze zo primair aanspreekt dat je uiteindelijk misschien juist versneld de kennis erin kunt pompen, omdat ze zo enorm geïnteresseerd zijn.”

Maar hoe sluit je de scholen dan weer beter aan op de universiteit?

,,Als decaan van de bèta-faculteit maak ik mij er erg sterk voor dat universitaire docenten ook les gaan geven op middelbare scholen. En dat dan niet op incidentele basis, maar juist structureel. In Utrecht hebben we daarvoor een uniek scholennetwerk opgezet. Bovendien hebben we in Utrecht het Junior College. Dat richt zich speciaal op die aansluiting tussen VWO en WO. Op die school bieden we de leerlingen die daarin geïnteresseerd zijn en die dat ook kunnen, een uitdaging om hun kennis verder te verdiepen. Ze krijgen een stuk onderwijs in de tweede fase, waarbij ze les krijgen van hun eigen leraren en van docenten uit het bachelor-onderwijs van de universiteit. Zo raken de docenten in het bachelor-onderwijs veel beter op de hoogte met wat er in het middelbaar onderwijs gedaan wordt.”

 

Hebben de ‘grumpy old men’ dan helemaal ongelijk?

,,Ze hebben een beetje gelijk. Ze hebben er gelijk in, dat wij als maatschappij onvoldoende geld over hebben om die innovatie te kunnen doen. Maar we moeten natuurlijk zelf wel initiatieven nemen. Er is een nieuw elan nodig. Eenzelfde soort opwinding als waarmee ik in de jaren zestig de universiteit binnenkwam. Voor mij was de inspiratie dat er nieuwe plastics gemaakt werden, en medicijnen toegankelijk werden, en nieuwe kledingstoffen werden ontwikkeld. Nu zijn er minstens even fascinerende dingen aan de hand, maar je moet ze wel  zichtbaar maken, anders blijft iedereen achter die econoom aanlopen die kennelijk wel de baas kan worden.”

 

Blij mee? Doe me een donatie!

Wil je hulp bij het schrijven, of gewoon een keer advies over je project? Stuur me een mailtje.

Waarmee kan ik je helpen?
Holler Box