instagram

Dries Verhoeven, Matthias Mooij



Signaal en ruis

Na de zoveelste upgrade van mijn
computer heb ik mij terug aangemeld bij Seti@home.
Wanneer mijn computer even niets te doen heeft, zoekt hij nu naar een
tekentje van intelligent leven tussen de miljarden signalen die de
Radiotelescoop van Arecibo uit de
ruimte oppikt. Oftewel, in een brij gegevens die als niet anders dan
‘ruis’ omschreven kan worden, helpt mijn computer nu mee te zoeken
naar die ene zendamateur ‘Harry’ in een verwijderd melkwegstelsel die
de hele dag ‘Breakie, Breakie!’ roepend achter zijn zendertje zit.

Het is ongeveer hetzelfde als een
voorstelling van Matthias Mooij meemaken op Festival a/d Werf, merkte
ik gisteren.


Op het beroemdste braakliggende terreintje van de
zuidelijke binnenstad van Utrecht heeft hij een vijvertje gegraven,
elders een gat in de grond gemaakt en een wand met slecht
doorzichtige perspex lamellen opgesteld. Het dient allemaal voor de
voorstelling Intérieur, gemaakt op basis van “l’Intrus’
(de indringer), een tekst van Maurice
Maeterlinck.
Deze Belgische schrijver van rond de vorige
eeuwwisseling wint weer aan populariteit. Het zal minder aan zijn
Belgische natuur gelegen hebben dan aan de nogal zweverige en zwaar
symbolische lading van zijn werk. Hoewel? Maeterlinck was een Vlaming
die in het Frans schreef, dus is een opvoering van zijn werk
tegenwoordig bijna een politieke verzetsdaad.

Zo op het gras bij het Utrechtse Ledig
Erf ging Maeterlincks werk echter ten onder. Er was een feestje aan
de gang in één van de panden waar de tribune op uitkeek, en het
commentaar van de steeds dronkener wordende feestgangers die vanaf
hun balkon uitzicht hadden op de achterkant van het speelvlak, was
bij tijden iets té  relativerend. Technisch ging er ook
van alles mis met de geluidsversterking, en wanneer de spelers dan
eindelijk een flard van verstaanbare woorden onze kant uit wisten te
krijgen, was er wel weer een politiesirene die de boel verstoorde.
Kwam nog bij dat het zicht op de handelingen achter het perspex
buitengewoon wazig was, en dat de operazang die vanachter die wand
klonk al even hard wegwaaide. Zo bleef er eigenlijk alleen maar ruis
over.

Matthias Mooij heeft in zijn streven om
kunst en werkelijkheid met elkaar in dialoog te laten gaan, de kunst
het onderspit laten delven. Natuurlijk was het idee goed: een stuk
over een oude man die een gelukkig gezin moet vertellen dat hun
dochter dood is, en die voor het raam blijft aarzelen met de vraag of
hij dat geluk wel moet verstoren, leent zich wel voor een locatie.
Nu was er alleen veel te veel ruis, en te weinig focus in
het decor om het signaal te laten doorkomen. Het gevoel dat overbleef was; ‘who cares?’

‘Who cares?’ was dan ook weer precies
de vraag die Dries Verhoeven stelt in zijn nieuwe
ervaringstheaterstuk ‘Niemandsland’. Deed hij eerst één op één-theater, en
‘veel op veel’-theater in de hotelvoorstelling ‘U bevindt zich hier’,
nu word je als toeschouwer gekoppeld aan een gids waar je niet mee
mag praten. Ik moest, net als de twintig andere deelnemers met hun
gids, vijf meter achter mijn gids aanlopen, terwijl ik een
koptelefoon ophad waarop Malou Gorter mij een verhaal vertelde dat
over mijn gids zou kunnen gaan, maar ook over heel iemand anders. Nu
was mijn gids, Mojgan genaamd, volgens het briefje waarmee ik in
contact met haar was gebracht, een bevallige jonge vrouw met grote
donkere ogen en een mooie glimlach. Zo ondervond ik toen we een
minuut of vijf roerloos tegenover elkaar stonden op het Westplein.
Spannend, dat ze een vluchtverhaal vertelde, als was ze zelf
vluchtelinge (goed mogelijk), maar het was wel een heel erg algemeen
verhaal, hoe gruwelijk decdetais ook waren, die ik hoorde toen ik achter Mojgan aan de Kanaalstraat overstak, aangestaard vanaf het terras van een koffiehuis.

Ik voelde geen direct contact, en merkte dat ik daar wel
behoefte aan had. Zeker als je elkaar zo lang aankijkt. Maar we liepen verder. Ik steeds op vijf meter achter
haar, ook als ze langzamer ging, versnelde of zelfs stopte. Als ik mnezelf gezien zou hebben, had ik mezelf heel raar gevonden. Langzaam
maar zeker overwon ook hier dus  de ruis. Hoe minder specifiek het
verhaal, hoe gruwelijker het werd, hoe meer ik van Mojgan
vervreemdde. Toen er ook nog een klein Golfje met Noordafrikaanse
jongeren naast mij kwam rijden, en zij mij allerlei dingen toeriepen,
en later ook naar haar opmerkingen plaatsten, voelde ik me zelfs
onveilig.

Hoezeer ik ook betrokken ben bij het
lot van vluchtelingen, en geen onderscheid maak tussen ‘economische’
of ‘politieke’ vluchtingen (een uitzichtloos leven vanwege honger zou
voor mij ook een reden zij om te vluchten) overwon bij deze
voorstelling de ruis de inhoud. Ik zou graag met Mojgan praten over
meer dan haar vluchtverhaal, ik zou graag eens met haar ogen
rondkijken in de wijk waar ik zelf vele jaren heb gewoond. Maar deze
‘ervaring’ hielp mij niet verder. Ik ben vooral blij dat die jongens
in die auto haar niet te grazen hebben genomen. Want wie zou er dan
voor ons gezorgd hebben?

Meer schrijfhulp?

Schrijf je in voor de nieuwsbrief.

Scroll Up