instagram

Kwetsbaarheid nieuw Nederlands drama is een mythe

Steeds opnieuw beroemen theatermakers zich erop dat ze risicovol bezig zijn door te kiezen voor nieuw Nederlands repertoire. Dat risico is echter heel erg relatief.

In Vrij Nederland stond enkele weken geleden een licht klagerig stuk over de slechte positie van toneelschrijvers in Nederland. Een positie, die nu pas echt goed aan het licht kwam doordat het TIN nieuw geschreven stukken systematisch bewaart, of ze nu gespeeld zijn of niet. Zo werd duidelijk hoe verschrikkelijk veel toneelstukken er in Nederland worden geschreven. Nog duidelijker werd dat al die schrijvers op hun beurt een vergeten bestaan in de marge leiden. Reden voor onder anderen Esther Gerritsen om haar lier aan de wilgen te hangen, voorzover het tenminste het schrijven van toneelstukken betreft.

Naast deze schrijnende toestand klinkt er het klagen van Matthijs Rümke in Eindhoven en Ronald Klamer in Amsterdam, onlangs nog in De Volkskrant, dat schouwburgen hun risicovolle programma van nieuwe Nederlandse stukken niet meer willen afnemen, of daar te weinig in geloven. Hoe terecht hun klaagzang ook moge zijn, ze zijn zelf mede de oorzaak van de beroerde positie van de Nederlandse toneelschrijver, door hun voorliefde voor nieuw materiaal.

17 jaar geleden deed ik, samen met Dan Rapaport, een groot en diepgaand onderzoek naar de positie van de toneelschrijfkunst in Nederland. Dit vervolg op Ben Stromans ‘Poging tot verklaring van een gemis’ leverde een paar interessante conclusies op. Een grotendeels handmatige telling, computerdatabases waren er in 1989 nog niet, van het repertoire van 1978 tot 1989, leverde een beeld op van een theatercultuur die naast het ijzeren repertoire van Shakespeares, wat Duitsers en Britten en een enkele Fransman, vooral heel erg veel nieuwe toneelstukken van eigen bodem bevatte. Wat tussen deze Rijndersen, Strijardsen en Peter de Banen, Komrij’s, Herzbergen en Ottens ontbrak, was echter die enkele heropvoering. Botho Strauss, Sam Shepard en Peter Handke werden soms nog binnen hetzelfde seizoen door totaal verschillende gezelschappen op het repertoire genomen, Judith Herzberg en Strijards moesten zich tevreden stellen met een enkele serie van dertig voorstellingen in een klein Amsterdams theater. Leedvermaak en Hensbergen zijn als toneelvoorstelling vooral legende: niet meer dan tweeduizend mensen zagen deze stukken ‘live’.

Na een groot aantal interviews met makers, uiteenlopend van Apostolos Panagopoulos tot Gerardjan Rijnders, konden wij de conclusie trekken dat er onder die makers een diep vooroordeel leefde jegens de kwaliteit en speelbaarheid van het werk van Nederlandse toneelschrijvers. Dat het een vooroordeel betrof werd bewezen door te kijken naar het aantal stukken dat deze makers zelf gezien, gelezen of gespeeld hadden: vrijwel nul.

Anno 2007 blijkt dat niet te zijn veranderd. Natuurlijk: Het Toneel Speelt heeft zich, mede onder verwijzing naar ons onderzoek, in eerste instantie gericht op het heropvoeren van Nederlands drama. Door Willem Jan Ottens ‘een Sneeuw’ prominent op het programma te zetten, maakte Hans Croiset een prachtig gebaar naar een stuk dat al even legendarisch was als Leedvermaak of Hofscènes. Door Vondel te spelen werd recht gedaan aan een oude traditie, die wellicht minder flamboyant theater opleverde dan Shakespeare, maar die het kennen dan toch zeker waard is.

Tegelijkertijd is er een schat aan nieuw materiaal aangeboord door vooral Maria Goos in staat te stellen haar door de televisie gescherpte pen ook op het toneel te laten schitteren. En we hebben natuurlijk Rob de Graaf, Esther Gerritsen en Peer Wittenbols, of een genie als Ad de Bont. Schrijvers die de afgelopen jaren hebben kunnen rijpen, die zijn uitgegroeid tot makers wier stukken bijna ongezien goed kunnen worden bevonden.

Daar wringt de schoen: onder verwijzing naar die vermaledijde kwetsbaarheid van het nieuwe krijgen schouwburgdirecteuren het verwijt dat ze niet al te veel nieuw materiaal aandurven en wordt recensenten voor de voeten geworpen dat ze niet altijd even laaiend enthousiast zijn over het zoveelste nieuwe stuk van de zoveelste nieuwe maker. Die verwijten zijn onterecht. Het risico van nieuw materiaal is uiterst relatief, omdat je er bijna vanzelf al de sympathie van subsidiegevers en pers mee krijgt. De welwillendheid druipt van de recensies af die nieuwe toneelstukken van nieuwe schrijvers begeleiden.

De afdeling ‘Onderzoek en Ontwikkeling’ van het Nederlandse theater heeft het dus al jaren goed. Als je tenminste die positie durft te vergelijken met de afdeling ‘Erfgoed’, die zich ergens in een vergeten hoek van de kelder bevindt in een hok waarvan we de sleutel al jaren geleden zijn kwijtgeraakt.

Wie durft, in een theaterlandschap waarin een nieuw stuk van David Harrower of Sarah Kane binnen een paar jaar door drie gezelschappen op het repertoire wordt genomen,  Wittenbols’ Zouthuis opnieuw op te voeren? Welk gezelschap waagt het om Rob de Graafs ‘Geslacht’ op een eigen manier vorm te geven? Zal er ooit een ander gezelschap dan Het Toneel Speelt een voorstelling geven van Maria Goos’ Familie? Terwijl men doodgemoedereerd wel een stuk van Ayckbourn, Albee of Schimmelpfennig voor de zoveelste keer uit de kast trekt?

Ik vrees dat niemand durft, omdat kiezen voor een bestaand Nederlands stuk ook inhoudt dat je dat stuk dus goed zegt te vinden. En dat is ‘not done’. Liever neem je de nieuwste ontdekking van het Londense Royal Court, die je natuurlijk niet in Londen, maar in Wenen hebt gezien, omdat ze volgens onze dramaturgen in Wenen nu eenmaal beter weten wat goed voor ons is dan in Londen, of – godbetert – Arnhem.

Zo lijkt het Nederlandse toneellandschap precies op de Nederlandse polder: terwijl de leegstand van oude industrieterreinen hand over hand toeneemt, verrijzen op de laatste A- en Zicht-locaties naast snel- of spoorweg luxe bedrijventerreinen, waarvan we weten dat ze over een paar jaar ook zullen verpauperen.

En de projectontwikkelaars maar zeuren dat iedereen hun economisch nuttige werk zo lelijk vindt.

Blij mee? Doe dan mee met Patreon! Komt een boek aan.

Wil je hulp bij het schrijven, of gewoon een keer advies over je project? Stuur me een mailtje.

Scroll Up
Waarmee kan ik je helpen?
Holler Box