instagram

Jungle

Theatermakers moeten vaker de jungle in

Door Wijbrand Schaap

In het begin van de jaren tachtig draaide ik het nummer
grijs. Het is van Bruce Springsteen, en komt van Born To Run uit 1975.
In het naar mijn gevoel bijna een kwartier durende epos Jungleland
beschrijft Springsteen de ondergang van een jonge held in de jungle van
de grote stad, waar de hongerigen en opgejaagden van deze wereld in
rock’n’roll exploderen, hun gitaren zwaaiend als stiletto’s. En dan
komt het. In de oprechtste woede ooit keert The Boss zich tegen de
‘dichters van hier, die nergens over gaan: ze staan erbij en laten het
gaan. Maar als het mes flitst, grijpen ze hun moment en proberen iets
echts te zeggen, maar ze raken hoogstens gewond, en gaan niet eens
dood.’

Vreemd eigenlijk, dat een dichter bijna teleurgesteld is omdat zijn
collega’s het er levend vanaf brengen. Maar het gaat natuurlijk om de
beeldspraak: kunstenaars nemen geen risico meer om te staan voor wat ze
vinden.

Ondertussen hebben we in Nederland de eerste politieke moord op een
columnist achter de rug. Geen dichter, geen theatermaker of
popmuzikant, maar een eenzame man, die uiteindelijk door zijn vijanden
even slecht begrepen werd als door de tienduizenden die in Rotterdam
een knuffelbeertje kwamen offeren. Om over de bloeddorst van een
overtuigd veganist als V. vd G. maar te zwijgen. Maar genoeg daarover.

De vraag blijft namelijk, waarom de werkelijke spiegel van de
samenleving, het theater, niet heeft kunnen voorzien war er kennelijk
bij ‘het volk’ leefde. Had niemand van onze toneelkunstenaars, die
doorgaans de mond vol hebben van engagement, de chagrijnige
volksmassa’s kunnen voorzien die afgelopen week alle media beheersten?

Theatermakers die hele tijdschriften en websites voltypen over
Brecht, Agitprop en Antiglobalisme hadden kennelijk niet in de gaten
dat ze uiteindelijk niet links, maar ultrarechts zouden worden
ingehaald door de massa. Ze staan erbij, kijken ernaar, en staan
sprakeloos, in het geval van cabaretiers zelfs letterlijk omdat ze hun
mond niet meer durven opendoen uit angst voor represailles.

Het komt waarschijnlijk omdat nog maar heel weinig theatermakers
daar komen waar ‘het volk’ komt, evenmin als dat ‘het volk’ naar het
werk van die theatermakers komt kijken. Slechts één keer in het
afgelopen decennium kwamen de twee werkelijk met elkaar in aanraking.
Guus Vleugel, de overleden satiricus en (vak)partner van
toneelschrijver Ton Vorstenbosch schreef ‘Angst en ellende in het rijk
van Kok’, nadat hij zelf een keer door een donkergekleurde jongen was
lastiggevallen. Het was de eerste keer dat er in de Amsterdamse
Stadsschouwburg over ‘kutmarokkanen’ werd gesproken. Ik verbaasde me
over de nauwelijks verhulde instemming met de soms nogal racistische
passages in het satirische stuk tijdens de door keurige Amsterdammers
bezochte première. Het was jaren voor de opkomst van Pim Fortuyn, maar
het was een signaal, dat het zelfs in die vrijgevochten grachtengordel
aan het rommelen was. Het was, kortom een bijna profetisch stuk, en dat
alleen omdat dit keer de rauwe werkelijkheid een theatermaker in het
gezicht geraakt had. Want verder blijven onze kunstenaars vooral
geinteresseerd in de eigen navel.

Hoe anders is dat in Engeland. Steeds vaker krijgen we nu gelukkig
stukken te zien die daar, ‘met de poten in de modder’ worden
geschreven. Het Nationale Toneel speelt nu bijvoorbeeld Gagarin Way.
Een stuk over een hoog opgeleide arbeider die een politieke moord wil
plegen ‘om iets tegen de hele zooi te doen.’ Ook dat stuk blijkt
achteraf profetisch, omdat de biografie van het hoofdpersonage
angstwekkende overeenkomsten vertoont met die van de moordenaar van
Fortuyn.

Het stuk is (nog) niet in Utrecht te zien. Misschien volgend jaar.
Maar wij hebben het Festival a/d Werf. En daarop kunt u met Willem de
Ridder op Safari door de Jungle van Leidse Rijn. Ik hoop dat u veilig
terugkeert.

Verschenen in de rubriek Kunstbroeders© van het Utrechts Nieuwsblad op 16-5-2002

Meer schrijfhulp?

Schrijf je in voor de nieuwsbrief.

Scroll Up